donderdag 29 oktober 2020

De menselijke maat

 


“De menselijke maat” is de vertaalde titel van “A misura d’uomo”, een boek van Roberto Camurri (2018), een schitterende, en inmiddels terecht bejubelde, roman. Maar het is ook de originele titel van een boek uit 2006 van Salomon Kroonenberg. Dit jaar werd de negentiende druk gepubliceerd.

“Gisteren was vandaag morgen” is de titel van een boek dat Salomon Kroonenberg tijdens zijn jeugd “ooit ergens” las, en die hem heel zijn leven achtervolgde. Tijd is zijn passie.Kroonenberg houdt van langetermijndenken en werd dus niet toevallig geoloog. Ruim 4,5 miljard jaar geleden ontstond de aarde. En de rest is geschiedenis.

Hij stoort zich aan velen die vooral naar vandaag kijken, en niet naar morgen of gisteren. En als geoloog kijkt hij graag ver in de tijd, in beide richtingen. De korte cycli zoals dag- en nachtcyclus en de seizoenen worden gestuurd door astronomische processen, waarom dan de lange ijstijdcycli ook niet? En de processen zijn eenvoudig: de aarde draait om de zon, en de aardasbaan staat scheef op de omloopbaan. De omloopbaan is niet rond maar elliptisch, en bovendien maakt de aarde een tolbeweging. Op basis van die processen berekende de Servische astronoom Milutin Milanković de opeenvolging van de ijstijden. Later werden zijn berekeningen getoetst aan de hand van onder meer sedimentlagen in zee en waterlagen in gletsjers. En zijn berekeningen klopten. Milutin Milanković verdient dan ook alle respect.

Een eng beeld

Kroonenbergs boodschap dat de klimatologen de bal mis slaan, is goed gebracht, maar ook misleidend. Hij stelt als wetenschapper -terecht- vragen bij voorspellingen en de houdbaarheid ervan, bij het onvoldoende belichten van de ijstijdcycli, bij het hanteren van een “menselijke maat” om vast te leggen dat klimaat gelijk is aan een evolutie over 30 jaar, en ga zo maar door. Die bedenkingen blijven actueel, maar ook niet meer dan dat. Er is nu eenmaal een groot verschil tussen vragen stellen, bewust misleiden en onzorgvuldige besluitvorming.  

Als wetenschapper houdt hij enkel rekening met wat juist en onjuist is: een eng beeld. Hij gaat enkel uit van zekerheden. Beleid is, gelukkig, genoodzaakt ook rekening te houden met onzekerheden. Als wetenschapper verkiest hij een volautomatische besluitvorming. Bovendien maakt hij geen onderscheid tussen het opdelen van de beschikbare kennis over het verleden in vakjes (stroom, golf, puls), het (volledig) begrijpen van het verleden en het voorspellen van de toekomst.
Een andere bedenking is dat de beschikbaarheid van gegevens (aantal, reikwijdte) een belangrijke rol speelt. In de geologie worden de tijdsvakken op de hoofdlijn korter als de hoeveelheid informatie toeneemt. Is het dan niet voor de hand liggend dat ook in de nabije toekomst zeer veel gegevens een rol kunnen spelen? Logischerwijs zijn voorspellingen in de nabije toekomst, bijvoorbeeld over het klimaat, erg uiteenlopend.    

De geologische tijdslijn van Kroonenberg is relevant in de geologie, maar irrelevant in een maatschappelijke discussie.

De maat van de geoloog, niet van de maatschappij

Kroonenberg heeft veelvuldig zijn standpunt kenbaar gemaakt over de klimaatverandering. Voor velen vertelde hij graag datgene wat ze wilden lezen of horen. Telkens bracht hij zijn mooi, maar misleidend verhaal. Zijn geologische tijdslijn is relevant in de geologie, maar irrelevant in een maatschappelijke discussie. Op een tijdslijn van bijvoorbeeld 100 000 jaar is geen enkele ethische afweging relevant. 

Het tweede punt wat erg misleidend is, is zijn invalshoek. Als geoloog de aarde als studie-object gebruiken is één ding, als mens een standpunt innemen in een maatschappelijke discussie is een ander. En is er nog een ander standpunt dan het antropocentrische standpunt relevant over klimaatverandering? De planeet is nu eenmaal niet het onderwerp. Trouwens, volgens de geologen zal die zichzelf wel redden. De planeet leefbaar houden is een minimale morele standaard. Maar zelfs die premisse weigert Kroonenberg.

Kortom, een boek van 340 pagina’s waarvan de inleiding en de epiloog informatief en kritisch voor het klimaatdebat zijn, maar niet actueel. De rest is een cursus geologie waar een link gelegd wordt met klimaat. Maak je niet druk om klimaat, denk op lange termijn, en denk om de aarde, niet om de mensheid. En als je je druk maakt, kies dan voor adaptatie, de rest is niet belangrijk. Dat is wel erg deterministisch. Bovendien, een boodschap die legitimeert om gewoon niets te doen. Zoals hij het treffend zegt in het slot van zijn epiloog “wie zegt dat de aarde er aangaat, bedoelt niet de aarde maar zichzelf, de mensheid. Een kleinzielig antropocentrisch wereldbeeld dat geen recht doet aan het feit dat de mens voor de aarde, zoals Mark Twain het zegt, "niets meer is dan het likje verfje op het topje van de Eiffeltoren”.

Hm. Maar, als al die mensen die bezorgd zijn om het klimaat, die bezorgdheid uiten en samen willen bijdragen aan het temperen van de klimaatveranderingen, als die mensen er niet meer zijn, wie gaat dan zijn boek lezen? De aarde?

De negentiende druk verscheen bij Atlas contact.

https://www.atlascontact.nl/boek/de-menselijke-maat-1/



dinsdag 29 september 2020

De onbewoonbare aarde

 




“Het is erger dan je denkt, veel erger.” David Wallace-Wells aarzelt niet. Hij is als een volleerd bokser die de ring betreedt, beheerst naar zijn tegenstander gaat, en onmiddellijk zijn moker bovenhaalt. Neusbreuk na één zin. En je mag gerust zijn als je daarna een doekje voor het bloeden verwacht, een gemoedelijke aai of een attente knuffel. Je komt bedrogen uit. Hij gaat onverstoorbaar verder. De rest van de pagina gebruikt hij om zijn zin te motiveren. En zoals steeds in zijn boek, doet hij dat niet met één argument, maar met een hele stapel. In dit geval acht. Hij is een absolute meester in het aandragen van argumenten. Wat verderop zeult hij 24 argumenten aan waarom we mondiaal niet goed overleggen over klimaatverandering (p 19 tot 21). Vierentwintig.

En daarna volgt een verhaal van moker na moker na moker. David Wallace-Wells slaat onophoudelijk, en hij beseft dat ook. De meest merkwaardige zin staat dan ook pagina 172: “Als je het tot deze pagina hebt volgehouden, ben je een moedige lezer.” Om zijn negatieve toon te temperen, weidt hij uit over zijn optimisme en zijn keuze voor kinderen. En wat later haalt hij alweer zijn moker boven en begint opnieuw eindeloos te timmeren. 

Het boek is opgebouwd uit vier delen, nl. kettingreacties, facetten van chaos, klimaatcaleidoscoop en het antropische principe. Deel 1 biedt een kijk op de actuele klimaatverandering. Het is een zeer pittige beschrijving, legt vele verbanden en is soms erg ontnuchterend. Deel 2 behandelt twaalf facetten, gaande van hittesterfte, honger, verdrinking, tot ongezonde lucht, en tot slot “systemen”. Vooral in dit deel komen zijn journalistieke vaardigheden tot uiting.

Blijft de vraag waarom David Wallace-Wells zo intens met zijn moker zwiert? Wil hij in de voetsporen treden van de Genuese legeraanvoerder Guglielmo Embriaco, bijgenaamd de Moker? Wil hij in de voetsporen treden van Nietzsche, de filosoof met de hamer? Wil hij ooit wereldkampioen hamerslingeren worden? Nee, niets van dat alles. Voor hem is het zeer eenvoudig, hij wil de lezer attent maken op de ‘inconvenient truth’, hij wil de lezer er bewust van maken, en hij wil dat de lezer er naar handelt. Nu. David Wallace-Wells kijkt en bekijkt feiten, leest rapporten, beluistert wetenschappers, en volgt zijn ratio.  Hij wil bij al zijn lezers laten doordringen dat het onverantwoord is om niet te handelen, zowel voor ons als voor de volgende generaties. En, in tegenstelling tot vele anderen, geeft hij niet op. Hij reikt feiten aan, en feiten, en feiten, en feiten, en feiten … tot je kraakt.

Op de achterflap lees je dat David Wallace-Wells historicus en schrijver is, en dat hij werkt als adjunct-hoofdredacteur van New York Magazine. Zijn journalistieke inslag en feeling komt in het boek op twee manieren intens tot uiting. Ten eerste in zijn werkwijze, hij zoekt informatie, selecteert, schikt en herschikt, zoekt verbanden, brengt ze samen tot een verhaal, en schrijft het verhaal. Zijn verhaal. Voor de onderbouwing van zijn verhaal gebruikt hij een immens aantal bronnen. En die bronnen zijn feiten, beschrijvingen van onderzoeken en meningen. Vooral die onderzoeken zijn lastig; Je kan ze moeilijk of niet vergelijken omdat zijn geraadpleegde bronnen, voortdurend werken met andere gebieden, andere tijdsperioden, andere tel- en meetwijzen, andere gegevens, … Opzoeken en zelf vergelijken is niet mogelijk. Een positief wetenschapper zou het boek dan ook veroordelen omwille van zijn gebundelde casuïstiek. Het weze helder, voor David Wallace-Wells was het ook niet de bedoeling een correct wetenschappelijk stuk af te leveren. Nadeel, het komt soms wel wat verwarrend over, er is niet steeds een helder (eind)beeld.

Ten tweede, hij kleurt graag begrippen. Het boek bulkt van de adjectieven, hij hanteert een dreigende taal. Duivels dilemma, samenzwering, de wielen van elke samenleving worden gevoed door overvloed, we leefden allemaal voor het geld, en daar zijn we ook voor gestorven, enz. Zijn zin pagina 172 staat er niet zo maar.  Zoals elke predikant is hij overtuigd van zijn gelijk, en draagt hij het met veel plezier en passie uit. En, hij heeft één groot voordeel ten opzichte van traditionele predikanten die zich toeleggen op geloof, nl. de ratio. Hij vertelt wat de wetenschappers vertellen. Achteraan vind je dank ook 70 pagina’s noten. Ook de gedachten van Etienne Vermeersch (de ogen van de panda, 1988, WTK-bestel, wetenschap, techniek, kapitaal) zijn niet ver af als hij fulmineert tegen het kapitalisme en de technologie.

Een opmerkelijk boek. Lezers die tegen een stootje kunnen en erg volhardend zijn, hebben een groot voordeel. Niet het meest aangename boek voor het nachtkastje, net als de waarheid. Met de recente beelden van een oranjerood brandend Californië op ons netvlies wordt het elke dag moeilijker om hem ongelijk te geven.


https://www.debezigebij.nl/boeken/de-onbewoonbare-aarde


vrijdag 25 september 2020

Fwiet Fwiet, De passie van het vogelkijken



 “De passie van het vogelkijken” luidt de subtitel. Inderdaad, een juiste omschrijving, maar onvolledig. Velen onder ons kijken immers graag naar vogels, meestal gepassioneerd. Dit is dus geen exclusief kenmerk van Le Bleu. Waar hij zich wel in onderscheidt, is de manier waarop hij zijn passie overbrengt en iedereen laat delen in zijn ervaring. Le Bleu vertelt verhalen en laat lezers meegenieten.

Elk verhaal heeft eenzelfde aanknopingspunt, een vogelsoort. De namen van de vogels zijn de titels van de korte verhalen van 2 tot 6 pagina’s. Je leest dus over de merel, rietzanger, kemphaan, wouw, kerkuil, blauwe kiekendief, wulp, kwartel, groene specht… Le Bleu gebruikt niet enkel de naam als kapstok om zijn verhaal aan op te hangen, het zijn ook telkens verhalen waarin vogels een centrale rol bekleden. De verhalen overspannen tegelijk bijna zijn hele leven. Als kind op ontdekking in de nabije omgeving, geleidelijk de halve wereld verkennen en dan zelf met kroost op pad. De inhoud van zijn verhalen is erg afwisselend: zo vertelt hij over een vakantie met zijn familie in Zeeland en de ontdekking van de kerkuil, plaagspelletjes met een collega, maar ook over het trotseren van het nakende tij in Engeland.

Over een oranjeborst

De verhalen bevatten fragmenten uit café-gesprekken en reisverhalen, maar regelmatig diept hij ook culturele, historische (zoals bv. de verklaring voor de naam “roodborst” in plaats van “oranjeborst") of biologische weetjes op. Le Bleu analyseert haarfijn het gedrag van anderen en geeft er zijn ongezouten mening over, zoals je kan verwachten van een cabaretier. En uiteraard ontbreekt ook de zelfreflectie niet.

Hij heeft ook aansluiting met wetenschappers, journalisten, vogeltellers, de natuurbehoudswereld, de Vlaamse administratie. En hij vertelt daarover. Zo houdt hij ook een pleidooi voor de waardering van vogels. Over de grauwe gorzen vertelt hij hoe ze worden bedreigd, welke maatregelen worden genomen om hen te beschermen en hoe ze gemonitord worden. Hij doet dit zeer concreet, en belicht onder meer de activiteiten van het Regionale Landschap, Natuurpunt, ANB, INBO, VLM en KBIN. Ook de roofvogeltrek in Batumi (Georgië), het aards paradijs voor de ‘roofvogelaars’, doet hij uit de doeken. Elders vertelt hij dan weer hoe hij groepen schoolkinderen op sleeptouw neemt, of over de angst om de bal mis te slaan tussen ervaren vogelaars.

Kanttekeningen van een meesterverteller

De lay-out is ronduit prachtig. Verwacht geen overdonderende foto’s, wel subtiele details. Op diverse plaatsen in het boek staan kleine tekeningen van (een deel) van een vogel, een takje, een blad. Speels, bijna letterlijk als een kanttekening, net zoals Le Bleu dat ook met zijn verhalen doet. Elk verhaal is gescheiden van het vorige en het volgende door een aparte bladzijde met enkel de naam van de volgende vogel. De lay-out is niet enkel aangenaam en overdacht, hij is zeer goed afgestemd op de inhoud. Achteraan in het boek staan 30 QR-codes van 30 verschillende podcasts. De cabaretier vertelt, en de podcasts waren de aanleiding om het boek te schrijven.

Het boek bevat geen vernieuwend concept, haalt het beleid niet onderuit, brengt geen spectaculair wetenschappelijke inzicht, nee, het boek is een verhalenbundel. En in verhalen vertellen is Le Bleu sterk. Door zijn vertelstijl lijkt het wel alsof je met hem mee op pad bent. Je ziet hetzelfde, en beleeft hetzelfde. Zalig. Nadeel is dat het boek niet leest als een boek. Na elk verhaaltje valt het stil. Er is geen verlangen om verder te lezen. Het boek is een, weliswaar evenwichtige, stapel faits divers. En dus laat je het als lezer regelmatig liggen. En toch is het ook een boek dat je graag in je boekenkast wil, en waarin je regelmatig enkel stukjes wil herlezen, vooral die met de intrigerende slotzin.  

Het boek is uitgegeven en te koop bij Bornmeer & Noordboek.

https://www.bornmeer.nl/winkel/fwiet-fwiet/

deze tekst verscheen bij BBL op 25/9/2020

https://www.bondbeterleefmilieu.be/artikel/begijn-le-bleu-2020-fwiet-fwiet-de-passie-van-het-vogelkijken


donderdag 23 juli 2020

Conscience, de terugkeer

 







Mark Cloostermans



Eind vorige eeuw vertoefde ik regelmatig in de bioscoop, vooral in Antwerpse bioscopen. En zag regelmatig Robbe De hert, uiteraard mét handdoek. Steeds wachtte hij zo lang mogelijk opdat hij de reclamefilmpjes niet moest ondergaan. Enkele seconden voor de start beende hij binnen. Later verliep dat moeizamer. Dat hij zich graag afzette tegen consumptie kon worden verwacht. Maar er was nog iets veel merkwaardigers. Regelmatig stapte hij na enkel minuten op. En geen enkele keer durfde ik zijn voorbeeld volgen. Veel merkwaardiger, na enkele keren wist ik dat hij gelijk had, “slechte film”. Hoe kon Robbe zo snel een accuraat oordeel vellen? Eer is maar één verklaring mogelijk, “vakmanschap”.

Recensies in De Standaard lezen was en is ook zo’n hobby. Jaren geleden las ik een merkwaardige recensie, ééntje van Marc Cloostermans. Uit de teksten van de vorige jaren van zijn hand had ik onthouden dat hij analytisch scherp kon zijn. Ik weet niet meer over welk boek hij schreef, noch wanneer. Maar één zaak herinner ik me als gisteren, hij velde zijn oordeel graag op basis van … de eerste zin. Vakmanschap?

Vorige week, schuifelend in de bibliotheek, het hoofd schuin om de titels te kunnen lezen, en vooral kijkend naar het stickertje “2020”, bovenaan op de rug. En plots zag ik “Mark Cloostermans”. Ik pulkte het boek uit de rij, bekeek de flap, zag dat het boek van dé Mark Cloostermans was. En ik las de eerste zin. 11 lijnen. Niet-citeerbaar.

Conscience, de terugkeer, een literaire misdaadroman speelt zich af in 1869, in Turnhout en nabije omgeving. Beschrijvingen, gesprekken, kwinkslagen, ironie, speelse bedenkingen, breder uitgesponnen redeneringen, kortom, je vindt het hele gamma. Korte, kernachtige zinnen wisselen met uitgesponnen beschrijvingen. Cloostermans beheerst zijn taal als geen ander.

Wat opvalt, Cloostermans munt uit in taalbeheersing. Vertalingen lezen kan uitermate boeiend zijn, vele vertalers zijn échte vakmensen, maar een originele tekst kan een verademing zijn. Raymond van het Groenewoud, wiens vader (Nico Gomez)  veel werkte als studiomuzikant, vertelt graag over het unieke voordeel van het creëren, het maken. Uniek, origineel. Lang geleden dat ik nog woorden als “gegak” en “kwansuis” gelezen.

Eén ding was jammer, ik ontleende het boek op een regenachtige, lange zomerdag. Al snel dwong ik mezelf om het boek weg te leggen. Anders was het plezier van té korte duur. Zalig boek, gewoon om ongedwongen te lezen. Zeker als je graag door een oud Kempens heidelandschap dwaalt en Turnhout een beetje kent.

http://www.houtekiet.be/boeken/p/detail/conscience-1

maandag 6 juli 2020

Dagboek van een ijsbeer

 





Sigrid Spruyt


Een dagboek van een lokale ijsbeer, kijkend naar het mondiale klimaatverhaal.

 

De titel is helder. Het is een dagboek, een uitgesponnen dagboek van een mevrouw op middelbare leeftijd (“een vrouw die ze binnenkort alle vijf zal hebben”) die haar leven, grotendeels, deelt. En dus lees je tussendoor ook over haar kinderen, haar mannen, haar ouders, haar buren, haar vrienden, haar kennissenkring, …Ze heeft ervaring met het format. Ongeveer in het midden van het boek vertelt ze over de publicatie van haar vorige dagboek, “dagboek van een anker”. Sigrid Spruyt is immers “ex-VRT-medewerker in beeld”.

 

Sigrid wordt een ijsbeer. En dat doet ze stap voor stap. Elke week een verhaal, elke week een beschrijving van het weer, de temperatuur van de buitenlucht, de temperatuur van het water, de plons, en de louter fysieke gevolgen. Maar ook de babbels met clubgenoten, de andere ijsberen, de bijna rituele taart met slagroom, de opwarming vooraf en de douche achteraf. Het is geen droog verhaal, uiteraard niet. Je fietst mee, wandelt, loopt en plonst, je bezoekt een sauna en je gaat mee naar de bakker. Haar leven als ijsbeer kent een lange voorgeschiedenis als gedreven zwemster. Aan het warme zwemwater voegt ze de koude van het openluchtwater toe. 

 

Naast haar wekelijkse ervaringen neemt ze je mee op pad doorheen Antwerpen. Je fietst mee door de Driekoningenstraat, langs de autosnelweg, tussen de groentewinkels door, langs de Schelde, langs de terrassen, intrigerende woningen, … Gelijktijdig verhaalt ze over de lekkerste marsepein, vroegere bewoners, eerdere zwempartijen, afgebroken zwembaden, …   Haar verhaal krijgt op die manier een ruimtelijk beeld én een historische toets. Je fietst mee, van gisteren naar morgen. Ook duikelt ze met enthousiasme in de clubgeschiedenis. Tussendoor vertelt ze honderduit over clubkleuren, het vaandel, het clublokaal, polsbandjes, borduursel op sweaters,  en ga zo maar door. En ze documenteert het ontstaan van de club en haar levenswandel. Geleidelijk krijgt in het dagboek de club een gezicht.

 

Ze neemt je ook mee in haar gedachten, en documenteert dat nauwgezet. Je belandt in een film, je gaat me naar theater, je beluistert muziek, je vertoeft in een concert, of je leest mee in een boek. En het is niet zomaar, “een” film of “een” boek, ze vertelt welke film en welk boek, welke gedachten spelen, en hoe dat haar op dit ogenblik raakt en/of beïnvloedt. Gelukkig vertelt ze tussendoor ook hoe ze enthousiast naar het voetbal gaat. Wekelijks als trouwe, bijna fanatieke supporter. Op die manier wordt haar dagboek persoonlijker, en vooral geloofwaardiger. Zeker ook als ze beschrijft hoe haar beer Melchior, haar knuffelijsbeertje, getooid met een paarse Beerschotsjaal, naast haar zit in de trein naar de kust, samen op weg naar een ijsberenweekend. Maar, ze wekt ook de indruk dat ze graag uitpakt met haar niet-afgelijnd netwerk van bekende en semi-bekende Vlamingen. Uitgerekend die mensen dragen bij tot de erkenning die ze zoekt. Speelde haar naam en bekendheid een prominente rol bij uitgever om het boek op de markt te brengen? Een gedachte die nooit helemaal naar de achtergrond ebt.

 

Het boek is een dagboek, en vertelt dus vele details. Week na week na week lees je of het miezert of niet, hoe haar koffie smaakt, hoeveel seconden ze in het water zit, welk lichaamsdeel pijn doet, en wat voor soort pijn, enz. Op die manier bouwt ze zelf de spanning in het verhaal af, en wordt het voorspelbaar. Of nog, ze verlangt van een lezer dezelfde volhardendheid die ze van zichzelf vraagt. Blijkbaar beseft ze onvoldoende dat een boek snel is dichtgeklapt en weggelegd. 

 

Gelijktijdig vertelt ze ook hoe ze in het leven staat, hoe ze streeft naar een eenheid tussen geest en lichaam, hoe ze verafschuwt dat velen het leven verwarren met snelheid, hoe het consumentisme ons leven bepaalt, hoe we afhankelijk zijn van techniek, hoe we onszelf moeten ervaren zoals we zijn, hoe we best kiezen voor een positief zelfbeeld, hoe we ons moeten toeleggen op wat is en niet op wat niet is. “Verdriet verdrinkt in het water. Verlies ook”.

 

Naast haar eigen, “kleine” ijsbeerverhaal vertelt ze ook het klimaatverhaal, het grotere ijsbeerverhaal. Ze is, uiteraard, nog steeds een volleerde journalist(e). Ze hanteert behendig het scalpel als ze de Antwerpse, Vlaamse en Belgische politiek analyseert. Uiteraard aan dossierkennis en visie geen gebrek. Opvallend is dat taal en ritme veranderen. Het kleine-ijsbeerverhaal is regelmatig keuvelend, hier wordt ze gedreven, en verbergt ze haar teleurstelling niet. Ze draagt de betogende jongeren een warm hart toe en neemt deel aan klimaatbetogingen. Ze vertelt over de, soms vernietigende, rol van de media, hoe die anders omgaan met De Wever (Anuna) en De Wever (Bart), en laat vooral de oneerlijkheid zien. Ze argumenteert waarom onze (lokale) politici geen of verkeerde keuzes maken. En, ze hekelt dat haarfijn. Een oprecht ijsbeer, met brains op de juiste plaats. Vertrouwd zijn met Antwerpen verhoogt de affiniteit.

 

Dagboek van een ijsbeer, klimaatverhaal uit Deurne, Spruyt S., 2019, Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam, 21,99 eurro

 

http://www.houtekiet.be/boeken/p/detail/dagboek-van-een-ijsbeer